Het verloop van de opbouw van woordenschat

Hoe verloopt eigenlijk de leerlijn van woordenschat?  Dat is een vraag die mij vaak gesteld wordt. Allereerst verwijs ik naar de leerlijnen van het CED en vervolgens benoem ik meteen het belang van een taalmuur in de klas er achteraan. Hieronder heb ik mijn advies uitgewerkt ter inspiratie. Doe er je voordeel mee.

Volgens het CED kun je de woordenschat leerlijn als volgt indelen:

Groep 1-3

De leerlingen:

  1. beschikken over een basiswoordenschat
  2. breiden gericht hun (basis)woordenschat uit
  3. leiden nieuwe woordbetekenissen af uit verhalen
  4. zijn erop gericht woorden productief te gebruiken
  5. maken onderscheid tussen betekenisaspecten van woorden.                                    (CED)

In eerste instantie worden vooral zelfstandige naamwoorden en werkwoorden verworven.
Vanaf de leeftijd 3 a 4 jaar gaat dit versneld omdat kinderen dan naar school gaan.
Woorden van buiten hun belevingswereld komen er bij in een rap tempo.

Groep 4-5

De leerlingen:

  1. verbreden en verdiepen hun woordkennis
  2. hanteren strategieën voor het afleiden van woordbetekenissen
  3. hanteren strategieën voor het onthouden van woorden
  4. kennen betekenisrelaties tussen woorden (onderschikking/bovenschikking, bijvoorbeeld: fruit-appel)
  5. begrijpen figuurlijk taalgebruik.                                    (CED)

 

Om alle schoolse activiteiten en de lesstof van alle vakken bij te kunnen benen is een goede woordenschatverwerving nodig. Woordbetekenissen worden verdiept. Er worden strategieën aangeleerd om woorden en hun betekenis te ontdekken en er worden steeds meer betekenisrelaties tussen woorden gelegd. Vanaf groep 5 komt figuurlijk taalgebruik herkennen er ook bij.

Groep 6-8

De leerlingen:

  1. kunnen hun woordenschat zelfstandig verbreden en verdiepen
  2. kunnen strategieën verwoorden voor het afleiden en onthouden van woordbetekenissen
  3. kunnen woorden buiten de context definiëren
  4. leggen zelf betekenisrelaties tussen woorden
  5. passen figuurlijk taalgebruik toe.                                    (CED)

 

vanaf groep 6 worden nieuwe, veelal abstracte woorden geleerd op basis van een aantal bekende woorden.
Bijvoorbeeld:

  • Bij boos denk je nu aan woedend en furieus
  • Bij boom denk je nu aan loofboom, spar, naalden of bladkroon
  • Maar ook woorden als alsmaar, aandachtig, echter, hoewel.

Er wordt voortgebouwd op woorden die het kind al kende. Minder frequente woorden worden aangeboden en geleerd, zodat de eerdere bekende woorden meer diepgang krijgen. Ook figuurlijke taal gebruiken komt erbij.

Grote verschillen vanaf de kleuterleeftijd.

Er bestaan grote verschillen tussen kinderen op het gebied van hun taalontwikkeling, wanneer ze het onderwijs binnenwandelen..
Dat maakt het voor leerkrachten lastig differentiëren. De verschillen tussen de kinderen die met een beperkte woordenschat starten met school en kinderen met een rijke woordenschat worden in de loop van de basisschool alleen maar groter.
Een kleutergroep bevat al snel drie verschillende startniveaus op het gebied van woordenschat en taal. 
Wat is dan de oplossing? 

Bouwen aan een taalmuur

De kloof die vaak ontstaat tussen de leerlingen in jouw klas, op het gebied van woordenschat, kan onmogelijk binnen korte tijd gedicht worden, maar het is daarom juist belangrijk om alle kinderen een houding aan te leren waarmee ze zich bewust worden van woorden die ze (nog) niet kennen. Leer ze strategieën aan waarmee ze die woorden kunnen vinden en leren.
Om hierbij als leerkracht een voorbeeldrol te spelen zorg je ervoor dat woordenschat een belangrijke en (visueel) zichtbare plek krijgt in de dagelijkse lessen.
Een woordmuur is hier heel geschikt voor. Vakoverstijgend en liefst met een aparte plek in de klas. Een geweldige woordenschatinterventie is het schoolbreed gebruik van een woordenmuur in alle groepen.

In de vorige weken van deze challenge, heb ik er al meerder malen over gesproken, de taalmuur!!
Een logisch onderdeel van een klas denk je nu? Jammer genoeg nog niet overal. Terwijl je er zoveel mee kunt vangen.

Wat kun je dan allemaal met een taalmuur?

  • Het is te allen tijde belangrijk om alle kinderen een houding aan te leren om zich bewust te worden van woorden die ze (nog) niet kennen. Met de taalmuur heb je hier een visuele reminder voor.
  • Om kinderen strategieën aan te leren waarmee ze nieuwe woorden kunnen leren, is een taalmuur een goed middel. Laat ze alert worden en actief meedenken over de inhoud.
  • Het is daarnaast belangrijk om hierbij als leerkracht een voorbeeldrol te spelen door woordenschat een belangrijke en (visueel) zichtbare plek te geven in de dagelijkse lessen.
  • Vakoverstijgend woordenschatonderwijs en aandacht voor taal, klanken en letters geef je liefst een aparte plek in de klas, dit kun je doen door het gebruik van een taalmuur.
  • Er moet aandacht zijn voor semantische netwerken, figuurlijke taal, homoniemen, synoniemen, (schooltaalwoorden) zoals vaktaal, verwijswoorden, lidwoorden, begrippen, aanwijswoorden, enz. Deze geef je een plek op die zelfde taalmuur.
  • Er moet aandacht zijn voor de klanken van taal, het fonemisch bewustzijn moet getraind worden, dit maak je zichtbaar op de taalmuur.
  • Die taalmuur moet iets van de leerlingen worden, zij dienen  toevoegingen te geven, ermee aan de slag te gaan en zo eigenaar te worden van het taalleerproces.
  • Er moet met vaste regelmaat geconsolideerd worden, de taalmuur is hiervoor een visueel handvat voor zowel de leerkracht als de leerling.

Een taalmuur moet een vaste plek krijgen in iedere groep en gaan “leven” bij de kinderen.

Hoe maak je de taalmuur “levend” in jouw groep?

Hoe krijg je een taalmuur of woordmuur zo interactief, dat het een plaats is om informatie te halen en te brengen?

Hieronder 7  voorbeelden:

  1. Bespreek woorden en kom er gedurende een week een aantal keren op terug.
  2. Je kunt er een spel bij bedenken zoals  ‘waar – niet waar’ (“een appartement heeft altijd een voor- en achtertuin”)
  3. Speel het spel: ‘raad het woord’ (neem een woord in gedachten en laat de leerlingen raden welk woord het is door vragen te stellen waarop je alleen met ja of nee mag antwoorden)
  4. Laat de leerlingen actief op zoek gaan naar uitbreidingen voor de taalmuur,  bijvoorbeeld woorden met dezelfde beginklank of woorden die rijmen.
  5. Geef ze een gerichte opdracht zoals passende afbeeldingen zoeken op het internet.
  6. Laat kinderen door de dag heen alert zijn op bepaalde beginklanken, eindklanken of rijmwoorden. Horen ze er weer een, dan wordt die toegevoegd op de taalmuur.
  7. Door het visualiseren van de rijmwoorden, de beginklanken en de eindklanken, gaan kinderen letterlijk zien wat je bedoelt. Vooral bij taalzwakke kinderen is dat erg belangrijk!

Hier geldt natuurlijk dat herhaling belangrijk is. Een bekende regel is dat kinderen zes tot twintig keer een woord of klank moeten horen en zien, om het te leren en onthouden.
Voor een taalzwak kind mag dit aantal herhalingen verdubbeld worden!

Welke woorden kies je voor de taalmuur?

Print de woordenlijst die voor jou van belang is uit (Amsterdamse BAKlijst, DigiWAK of het Posterproject met schooltaalwoorden (van CED) , en bekijk die eens met andere ogen, welke woorden vallen je op en kunnen goed passen bij jouw komende thema onderwijsdoel?

Voor de juiste keuze van de woorden in jouw aanbod moet je alert zijn op complexere taal, teksten met signaalwoorden zoals “door, naast, vervolgens, in tegenstelling tot”.

Maar ook gevoelstaal en emotietaal zoals “gespannen zijn, nerveus, bezorgd zijn, onzeker zijn” mogen niet worden overgeslagen.
Dit soort woorden en uitdrukkingen  moeten expliciete aandacht krijgen van de leerkracht. Maak ze zichtbaar door met kleuren in een tekst te werken, geef verbanden binnen een tekst aan met pijlen, onderstreep bijzondere woorden die je eruit wil lichten.

Digitale aanvullingen bij woorden selecteren

Hier kan een digibord een goede hulp zijn. Scan een tekst in en ga eens aan de slag met de digitale markeerpen. Laat kinderen ontdekken wat moeilijke woorden zijn, waar je misschien de betekenis kan terugvinden (strategie) en waar de signaalwoorden bijvoorbeeld naar verwijzen. Maak dit visueel en hang een afdruk hiervan op de woordmuur.

Zonder digitale hulpmiddelen:
Vanaf groep ½  kun je een gesprek visualiseren op een flapover en daar met de markeerstift aan de slag. Laat leerlingen bedenken wie er bijvoorbeeld bij het woord hij of zij hoort. Of waar een woord zoals daarom naar verwijst.

Het maken van een taalmuur

 

Hoe begin je?

Je start aan het begin van een thema/hoofdstuk met een brainstorm (woordweb) naar aanleiding van jouw thema-intro. Dit kan bijvoorbeeld een prentenboek zijn, een gesprek, een praatplaat of een gebeurtenis uit de directe omgeving of in de hogere groepen een nieuw hoofdstuk van een zaakvak. Het woordweb/de woorspin  krijgt natuurlijk een plekje op de woordmuur, maar dit is pas het begin.

Gedurende het thema breidt je de woordmuur uit met diverse taalobservaties.
bedenk hiervoor eerst goed welke woorden je wil gaan aanbieden of denk na over de woordenschat je wil selecteren uit je prentenboek.

Ga daarna kijken wat je vanuit die woorden nog meer kunt doen aan taalobservaties.

  • Zijn er categoriewoorden te bedenken vanuit een woordweb> maak dan een woordparaplu.
  • Zijn er tegenstellingen af te leiden uit een woordweb of verhaal> maak dan een woordkast
  • Zijn er vergelijkingen af te leiden uit een woordweb of verhaal> maak dan een woordtrap.

Belangrijke  toevoegingen bij de woordenmuur:

  • Voeg altijd het lidwoord toe bij zelfstandige naamwoorden.
  • Ga niet de moeilijke woorden uit de weg. Geef die eventueel een centrale plek op de woordenmuur en maak er zin mee. Schrijf die zin uit en hang die erbij.
  • Maak er een systematiek van, hang bijvoorbeeld altijd alle onderdelen op dezelfde plek, deel je woordenmuur logisch in.
  • Zorg dat het overzichtelijk blijft.
  • Gebruik bij alles herkenbare en betekenisvolle afbeeldingen of tekeningen.

Die woordmuur moet iets van de leerlingen worden, zij mogen ook toevoegingen geven, ermee aan de slag gaan en zo eigenaar worden van het leerproces.
De woordenmuur moet gaan leven en een bron van herkenning en herhaling worden.

Consolideren maar!!

En dan heb je een woordenmuur, maar je doet er verder niet veel meer mee? Dat is natuurlijk een gemiste kans.
Belangrijk is en blijft om er mee aan de slag te gaan , ga consolideren met de woorden op de woordmuur.
Bespreek woorden en kom er gedurende een week meerdere keren op terug. Plan dit bewust in je weekschema.
Bedenk er spelletjes bij zoals:

  • ‘waar – niet waar’ (“een appartement heeft altijd een voor- en achtertuin”)
  • ‘raad het woord’ (neem een woord in gedachten en laat de leerlingen raden welk woord het is door vragen te stellen waarop je alleen met ja of nee mag antwoorden)
  • Beschrijf een woord uit de woordenmuur en laat anderen dit raden.
  • Zie ook de gratis download “consolideerspellen” voor nog meer ideeën.

Ook hier geldt weer dat herhaling belangrijk is. Een feit is dat kinderen 6 tot 20 keer met een woord te maken gehad moet hebben om het te leren en onthouden.
Voor een taalzwak kind mag dit aantal herhalingen verdubbeld worden.

 

TIP:

Download hieronder de 55 consolideerspelletjes, print ze uit en lamineer ze. Stop ze in een grabbelpot en kies zo op een vast moment van de dag steeds een ander spel uit.
Spannend, leuk en je hebt meteen een goede routine te pakken.

 

 

0 reacties

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Ontvang een gratis applijst voor kleuters!

Ontvang de gratis download: kleuterapps voor in de klas.

Meld je hier aan en ontvang meteen maandelijks de nieuwsbrief met het laatste nieuws van de site en  het laatste nieuws over acties en evenementen. Ook ontvang je meteen het speciale wachtwoord voor toegang tot alle gratis downloads.

Uitschrijven is altijd op ieder moment mogelijk.

 

Bedankt! Je bent succesvol ingeschreven. Ik beloof je dat ik je niet ga spammen, wil je echter toch uitschrijven dan kan dat natuurlijk altijd onderaan de nieuwsbrief.

Pin It on Pinterest

Shares
Share This

Leuk dat je er bent!

Delen mag natuurlijk!

Shares